
Ergens in januari 2019 lig ik ’s nachts te woelen, te draaien en te keren in ons bed. Het is stil, donker maar lekker warm onder de dekens.
Mijn vrouw ligt rustig naast me te slapen en onwillekeurig begin ik haar ademhaling te monitoren. Netjes drie seconden in en drie seconden uit. Zalig dat ik hier aandacht aan besteed. Rustgevend ook, om je partner te voelen, te zien, te horen. Hey maar wacht eens even… ik ben alweer met iets helemaal anders bezig dan met mijn eigen slaapcyclus.
Stompzinnig tuur ik door de wimpers van mijn half open ogen naar de wekker. Ik ben verwonderd dat de wijzers niet van de klok vallen. Die fluo-groene ondingen van de koperkleurige wekker uit mijn kindertijd gaan zo tergend traag vooruit dat ik het gevoel heb dat de tijd stilstaat. Deze vaststelling van gebrek aan nachtrust, zorgt er voor dat ik zelf aan de noodrem trek. Niettegenstaande het al meer dan twee jaar goed met me gaat, ben ik op sommige dagen keimoe, stikkapot zelfs. Nachten met amper twee tot drie uur slaap lijkt mij nefast voor mijn geestelijke gezondheid en fysieke paraatheid.
Terug in bed, na het nachtelijk obligatoire plasje, overloop ik het begin van de dag in het Centraal station te Antwerpen. Het hyperkinetisch, krioelende geharrewar van mensen is vaak te druk voor mijn overgevoelige geest. Ook het gehakketak van de massa mensen die door elkaar praten ligt me niet zo. Hier bovenop heb je treinen die áán- en afrijden, met meestal een onverstaanbare omroeper, die iedereen naar het juiste spoor tracht te leiden. Gewapend met mijn koptelefoon, waar de cello suites van Bach in mijn oren galmen, kan ik mij redelijk goed distantiëren van die ochtendlijke drukte. Mensen komen en gaan in de prachtige hal van het station. Op weg naar hun werk, hun geliefden, hun vakantie. Zalig dat ik dit elke dag weer mag aanschouwen, er zelfs verhaaltjes bij kan en mag verzinnen met mijn creatieve brein.

Rond de klok van drieën hijs ik me moeizaam uit bed en ga naar beneden nog wat sigaretten rollen. Of beter nog: eerst eentje roken met een latte macchiato erbij. Terwijl ik de koffie klaar maak, ruim ik een beetje op in de keuken. De woonkamer ligt er naar mijn vroeg suffige mening prima bij. Zelfs voor onze drie poezen is dit nachtelijk uur niet waardig genoeg om enig teken van leven te geven. Na enkele slokken heerlijk warme koffie, laat ik mijn gedachten de vrije loop. Een idee, dat al langer in mijn gedachtenkluis ligt te broeden, krijgt vorm. Ik ga in de sofa hangen met mijn tablet in de aanslag om wat losse alinea’s tot een verhaaltje te vormen. Het duurt echter tot eind maart 2019, voor ik doorzet om mijn wirwarrende schrijfsels op de mensheid los te laten.
Schrijvend duurt de nacht niet lang genoeg. Er is niets zo erg om te tobben over een of ander wereldprobleem. Het liefst zou ik dan de kwestie van bijvoorbeeld de Gazastrook willen oplossen, met als gevolg dat er definitieve vrede ontstaat tussen Palestina en Israël. Voor de jaarlijks terugkerende gigantische bosbranden in Portugal weet ik me eveneens geen raad. Zelfs de immense vluchtelingenstroom van Syrië naar Europa is te ingewikkeld voor mijn veel te kleine hersenen. Zoals je wel begrijpt zijn zo’n globale knelpunten niet te ontrafelen in een uur of twee. In plaats van te overdenken hoe ik de covid problematiek zou kunnen indijken begin ik aarzelend wat te schrijven over dingen die me de laatste decennia zijn overkomen.
Mijn bipolair, steeds overdenkend verhaal valt nooit stil. Mijn aanhoudend gepeins en gepieker gunt mij nooit rust in het hoofd. Het heeft me soms hele leuke momenten bezorgd, en soms ook minder leuke fases bezorgd in mijn leven. Wat hierdoor voor sommigen een teken van zwakte lijkt, is voor mij niet persé een minpunt. Het is eerder een sterkte om steeds weer te herbeginnen en uit die dalen te klimmen. Kortom: er te staan, met rechte schouders en hoofd fier geheven, als collega, als vriend, als geliefde. Deze gedachte zorgt er trouwens voor dat ook ik van tijd tot tijd tóch een nachtje kan doorslapen!

